
Een fabel: Gesprek met een steen
1 mei 2026 om 09:00 Dieren Fabels van Jan B. BouwstraDe zon was warm die dag en de kameleon lag in het hete zand te soezen, met één oog open, om op tijd te duiken, als de hemel viel.
advertentie
De steen die naast hem lag probeerde hetzelfde maar dat lukte niet, en de kameleon zei: ‘Is er dan verschil tussen jou en mij, steen?’
De steen verroerde zich niet.
‘Misschien alleen dat jij van steen bent, en ik een ziel heb, maar… wacht ons uiteindelijk niet hetzelfde lot,’ zei de kameleon, en de steen leek aandachtig te luisteren.
‘En wat is dat dan, een ziel?’
De steen leek er niet eens over na te willen denken.
‘Een ziel is ons inzicht in het bestaan, en in alles daarbuiten, waar niemand grip op heeft.’
Het zonlicht verflauwde even, of misschien was dit het oog van de kameleon dat bijna dichtviel, en hij zei: ‘Maar betekent een ziel wel iets voor het wezen van de dingen?’
De steen had geen idee.
‘Het wezen…’
De kameleon ging rechtop staan en tilde zijn hoofd op, zodat hij vanuit de hoogte op de steen kon neerkijken. Zijn lijf bewoog als een geoliede machine, daar kon de steen een punt aan zuigen.
Hij zei: ‘Misschien is een ziel wel het vermogen om het leven vragen te kunnen stellen.’
De steen kreeg het warmer naarmate de zon hoger klom, maar er was weinig aan te doen.
‘Misschien is het verschil tussen jou en mij dat ik kan vluchten en alles achterlaten.’
Een zandmuis snuffelde aan de steen maar rook niets spannends, gaf de kameleon een knipoog en trippelde weer door.
‘Maar waar kan ik naartoe, het is overal hetzelfde,’ concludeerde de kameleon, en hij ving een vlieg met zijn tong die hij met gesloten ogen doorslikte, en vroeg zich af: ‘Het is mijn omgeving die mij beschermt tegen het leven, steen, is er iets dat jou beschermt?’
De steen deed of zijn neus bloedde, en de kameleon realiseerde zich ineens dat hij alleen maar aan het praten was over het leven, om de koorts ervan te laten zakken.
Hij kroop over de steen heen, die het gelaten onderging en zei: ‘Wat gebeurt er eigenlijk met mij wanneer ik naar mijzelf luister en kijk. Aan welke rand sta ik als ik mijzelf in de diepte zie?’
Er was niets dat antwoord gaf, en de kameleon ging dicht tegen de steen aan liggen en sloot zijn ogen.
Het enige waaraan hij echt behoefte had, was contact.
Uren later verspreidde het licht van de ondergaande zon zich over de wolken waarmee de hemel was gevuld.
De kameleon zei tegen de steen: ‘Gebukt gaan onder het inzicht dat wij bestaan, dat is jou bespaard gebleven.’
De wolken boven hem dreven als zachte reflexen door het mysterie van de hoogte. Alles was adem, en de kameleon sloot zijn ogen en mompelde: ‘Ik zwaai de scepter over dat wat in mij is gevestigd.’
Hij ging steeds meer lijken op de steen, werd moe en mompelde: ‘Maar wat is het dan dat in mij is gevestigd…,’, en even later lag hij naast de steen te slapen.
Zoals de zin van alles lag te slapen.
Jan B. Bouwstra schrijft elke week een fabel voor de website van De Nieuwsbode, die iets te maken heeft met onderwerpen die op dit moment actueel zijn. Meer fabels lezen? Je vindt ze ons dossier Fabels van Jan B. Bouwstra

















