Jan B. Bouwstra
Jan B. Bouwstra Eigen foto

Een fabel: Instinctief

23 oktober 2026 om 07:00 Dieren Fabels van Jan B. Bouwstra

De mol had de aardworm uitgenodigd voor een vertrouwelijk en diepgaand overleg, ondergronds.

advertentie

‘Want ik heb iets ontdekt,’ had de mol geschreven, ‘waar zelfs de uil van op zal kijken.’

Dat was sterk, want de uil keek nooit ergens van op, behalve van zichzelf.

De aardworm was verzot op ondergrondse onderonsjes, en boorde zich een weg dwars door het wortelstelsel van de vlierbes heen. Er bleef niets van over.

Toen de aardworm nahijgend van zijn dodemanstocht arriveerde op de afgesproken plek en het zand uit zijn ogen veegde, zei de mol tegen de aardworm: ‘Je bent weer eens niet op tijd, slome!’ 

Dat was tegen het zere been, maar de mol voegde er met een geheimzinnige glimlach aan toe: ‘Maar dat terzijde, want wat is tijd?’

De aardworm voelde zijn maag rammelen en vond dat het tijd was om iets te gaan eten.

‘Luister je?’ 

‘Je vroeg je af wat tijd was, mol.’

‘Precies,’ zei de mol, ‘precies, want daar denk ik momenteel veel over na.’

Het bleef stil en de aardworm proefde van een hoopje zand dat lekker lag te wezen.

‘En daar wilde ik het met je over hebben,’ zei de mol, ‘Ik weet niet meer wat tijd is, hoe ik het zou kunnen meten. Ik ben het besef van tijd kwijtgeraakt.’

Hij tikte op zijn horloge: ‘Want zoals de klok het doet is het fout, die verdeelt de tijd in ruimtes, van buiten af.’

‘En een zandloper in zand,’ zei de aardworm gevat, hij was niet zo van de horloges.

De mol hoorde het niet eens en zei: ‘Maar zoals ik de tijd van binnen voel, is het ook niet goed. Want dat is niet de tijd, maar alleen de gewaarwording ervan.’

De aardworm rekte zich uit en ging ongegeneerd in een bocht liggen. 

‘Snap je, aardworm?’

De aardworm knikte: ‘Die gewaarwording is van jou, mol, dat snap ik wel.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Nou gewoon.’

‘Hoezo?’

‘Gewoon.’

Het was geen fijn gesprek en de aardworm begon iets uit de muur te eten totdat die dreigde in te storten en de mol zijn gang moest stutten.

‘Uit de muur eten doe je maar thuis,’ zei de mol hoofdschuddend, en hij kwam met wortelstokken aanzetten en een maiskolf en wat aaltjes.

Toen alles op was zei aardworm een stuk relaxter: ‘Dat was lekker zeg.’

De mol voelde aan zijn buik en zei: ‘Het is alsof we elke dag van de tijd proeven zonder de samenstelling ervan te kennen.’

‘Is de tijd dan uit andere dingen samengesteld?’ vroeg de aardworm.

‘Volgens mij wel.’

‘Heb je het al zover doorgedacht, mol.’

‘Ja.’

‘Knap.’

‘Vind ik ook,’ zei de mol, en hij vouwde zijn grote handen over elkaar.

De aardworm zei: ‘Maar het is met de tijd net als met het denken, en met het graven van gangen, mol…’

De mol begreep het niet, en de aardworm zei: ‘Het houdt nooit op.’

‘Maar het probleem is: wij wel,’ zei de mol.

‘Hoezo wij wel?’

‘De tijd neemt ons de maat. En als we er niet snel een vinger achter krijgen, zijn we de Sjaak. Dan is onze tijd gekomen.’

‘Dan gaat de bus zonder ons verder, bedoel je dat, mol?’

De aardworm floot tussen zijn lippen door en de mol ging op zoek naar de bessenjenever, die hij bewaarde voor dit soort momenten. Toen ze allebei hun glas hadden ingeschonken opperde de mol: ‘Zouden we de tijd niet kunnen beschouwen als een doos om alles heen.’

‘Dat is helemaal geen gek idee,’ zei de aardworm die geen idee had wat de mol bedoelde.

‘Alles wat bij ons hoort zit dan in die doos,’ legde de mol uit.

De aardworm zei: ‘Laten we buiten gaan kijken wat er allemaal bij ons hoort.’

Ze kropen naar buiten en zagen de zandmuis met eikels rennen. Hij rende heen en weer en was gelukkig. Hij was gelukkig om iets waar hij niets aan had. De mier en de tor maakten het bospad schoon en de krekel telde was pollen gras aan het tellen vlak voordat de neushoorn ze weg graasde.

De aardworm zei: ‘Dit hoort dus allemaal bij ons, maar snap jij het?’

De mol schudde zijn hoofd bedroefd.

Ze gingen erbij liggen, terwijl de egel bladeren verzamelde die de wind weer even vrolijk verspreidde.

De aardworm zei: ‘Als ik er goed over nadenk, begrijp ik er niets van.’

‘Van alles wat in onze tijd gebeurt?’

De aardworm knikte en vroeg: ‘Hoe zou dat komen mol?’

‘Dat we er niets van begrijpen?’

De aardworm knikte.

Het duurde lang voordat de mol opperde: ‘Dat verstand van ons is er ook pas net.’

‘Huh?’

‘Evolutionair gezien is ons verstand er in ons hoofd als laatste bijgekomen.’

‘Evolair?’

‘Ja, onze instincten zijn er veel langer. Die waren er duizenden jaren eerder.’

De aardworm keek wat ongelovig, maar de ogen van de mol gingen glanzen: ‘Dat is het! Daarom kan ons verstand nog niet veel aan, het moet nog oefenen.’

De aardworm zei: ‘Dus onze instincten liggen mijlenver voor op ons verstand, en beslissen alles nog voor ons.’

De mol knikte: ‘Ons verstand is geen partij. Dat duurt nog duizend jaar.’

De aardworm keek naar de mieren die enthousiast op de miereneter afrenden, vanwege zijn lekkere luchtje en daarna werden opgepeuzeld, en hij zei: ‘Instincten zijn heel wat mans.’

De mol knikte tevreden, en ze bleven praten over alles wat ze zagen en niet begrepen, totdat ze tolden van de slaap. 

Het begrijpen kwam wel dichterbij, maar bleef toch even vaag als vroeger.

Dat zou nog wel even duren.

Jan B. Bouwstra schrijft elke week een fabel voor de website van De Nieuwsbode, die iets te maken heeft met onderwerpen die op dit moment actueel zijn. Meer fabels lezen? Je vindt ze ons dossier Fabels van Jan B. Bouwstra

Mail de redactie
Meld een correctie

advertentie
Deel dit artikel via:
advertentie
advertentie