Jan B. Bouwstra
Jan B. Bouwstra Eigen foto

Een fabel: Het boek van de wetenschap

11 september 2026 om 07:19 Dieren

Het waren de laatste warme dagen van de zomer. De lucht was wazig blauw en de bladeren ritselden af en toe alsof ze wakker schrokken om dan weer in te dommelen.

advertentie

De brilslang en de uil zaten bij de eik op gedempte toon te praten over de laatste ontwikkelingen in de wetenschap. 

De brilslang had zijn twijfels, maar de uil had die twijfels niet: ‘Alles staat in mijn boek, brilslang. Onomstotelijk!’

‘Maar hoe kan iets onomstotelijk zijn, uil?’

De uil zei met gesloten ogen: ‘Iets is onomstotelijk als het in mijn boek staat.’

De brilslang pakte het boek van de uil en las: En daarom poneer ik, uil, onomstotelijk de boute stelling dat ik weet dat ik niets weet, en dat ik dat dus wel weet.

De brilslang keek op van het boek en zei: ‘Hoe kun je dat nou stellen?’

De uil frommelde wat met een takje.

‘Wat ik denk …,’ zei de brilslang, ‘ik denk dat ik niet eens weet of ik niets weet.’

De uil keek hem glazig aan.

De brilslang legde uit: ‘Ik twijfel namelijk niet alleen aan mijzelf, maar ik twijfel ook aan mijn twijfel aan mijzelf.’

De uil haakte af: ‘Is een mening, bril.’

En ze zwegen.

Een paar uur eerder was het boek van de uil, Alles in het bos dat je altijd wilde weten, met veel bombarie gelanceerd, en de mier was een handtekening komen halen, en de egel en de bosmuis ook.

De brilslang had gewacht tot de fans zich schoorvoetend hadden teruggetrokken, om wat uitgebreider met de schrijver na te praten.

Dat moment was aangebroken, en de brilslang bekende: ‘Ik ben ook aan het schrijven, maar ik publiceer mijn boek pas na mijn dood.’

Het verbaasde de uil: ‘Maar dan heb je er toch niets meer aan?’

‘Hoezo niet?’

‘Als niemand je boek leest wanneer jij leeft, en jij niet meer leeft wanneer iedereen je boek leest … dan lopen jullie elkaar mis.’

Ze zaten in de schaduw van de eik, maar je zag de ogen van de brilslang achter zijn brillenglazen stralen toen hij zei: ‘Ik wil leven daar waar ik niet ben, uil …’

Het was stil.

Het had te maken met wat herinneringen zijn, namelijk het plezier te zijn geweest. Het vooruitzicht van zijn boek was voor de brilslang het plezier er te zullen zijn.

En de brilslang herhaalde: ‘Ik wil iets bereiken wat onbereikbaar is, ik wil leven daar waar ik niet kan zijn.’

De uil krabde onrustig aan zijn buik en beet een vlo dood, en er kwamen een paar witte muizen op hem af die een handtekening wilden. 

Ze zagen er lekker uit, en nadat hij zijn handtekening had gezet, maakte de uil een afspraak voor een etentje die avond. Voor wat hoort wat.

Hij genoot met volle teugen van zijn schrijverschap. 

De brilslang lette er niet op en zei: ‘Ik kan nu al gelukkig worden van de gedachte dat de toekomst mijn boek zal omarmen. Ik ben er nu al trots op dat ik later beroemd zal zijn.’

De uil geloofde het wel, als de brilslang geen muizen wilde moest hij het zelf maar weten, en hij vroeg: ‘Maar alles staat al in mijn boek. Waar gaat jouw boek over?’

De brilslang zei: ‘Over de wetenschap.’

‘Zo? Is er iets nieuws ontdekt?’

‘Ik leg in mijn boek uit wat wetenschap is,’ zei de brilslang, en de zon scheen op zijn lijf dat zilverachtig glansde. ‘Wil je het weten?’

De uil knikte en de brilslang zei: ‘Wetenschap is niet meer dan een spel voor kinderen, dat in de schemering wordt gespeeld.’

Er ritselde een blad.

‘Het is een poging om de schaduw te vangen, van het gras dat wiegt in de wind.’

De uil schudde zijn hoofd meewarig.

Als de schaduw van een gebaar dat iemand anders maakte.

Mail de redactie
Meld een correctie

advertentie
Deel dit artikel via:
advertentie
advertentie