Jan B. Bouwstra
Jan B. Bouwstra Eigen foto

Een fabel: Een verlangen

12 juni 2026 om 09:00 Dieren Fabels van Jan B. Bouwstra

Nadat het dagenlang had geregend, vulde de hemel haar hoge, lege ruimtes opnieuw met het ijle blauw, dat zo lang verborgen was gebleven, en dat fris en vochtig rook.

advertentie

De neushoorn en de olifant stonden aan de rand van het bos te kijken naar de hemel en de grijze heuvels in de verte, en ademden de frisse lucht diep in.

Ze wilden naar de bergen en hadden een dagmars voor de boeg, want de gans had hen verteld dat het boven op de berg nooit regende.

Dat was wat ze zochten, want de neushoorn had de pest aan regen en ze gingen erop af.

Totdat het op klimmen aankwam.

Toen hield de neushoorn op zijn korte, kromme benen de olifant niet bij en riep hijgend: ‘Waarom moest ik mee, Ollie. Had je niet begrepen dat ik niet mee wilde?’

De olifant liep met wiegende slurf en swingende billen voor de neushoorn uit, terwijl hij achter zich hoorde roepen: ‘Begrijp jij dan nooit iets, Ollie.’

De olifant stopte en vroeg: ‘Wat begrijp ik niet, Neus?’

‘Je begrijpt mij nooit, Ollie, maar het hoeft van mij niet meer. Begrepen worden door jou is net zoiets als mijzelf prostitueren.’

Het klonk wanhopig en het bleef stil totdat de olifant aarzelend vroeg: ‘Is dat leuk om te doen?’

De neushoorn schudde zijn hoofd.

Ze rustten uit en keken naar de wolken en het blauw daartussen, en droomden weg bij wat aan hen werd voorgeschoteld.

En de olifant vroeg plotseling vanuit het niets: ‘Ben jij gelukkig, Neus?’

De neushoorn schrok op, en zag wat pollen gras en nam een hap.

‘Ik bedoel,’ zei de olifant, ‘is dit het leven dat je altijd hebt gewild?’

‘Hoezo?’

‘Nou, omdat je soms zo cynisch doet.’

De neushoorn rook aan zijn buik, een duik in de rivier zou niet verkeerd zijn, en hij keek voor zich uit en zei plechtig: ‘Dit is niet mijn eigen leven, Ollie.’

‘Oh. Ben je bij iemand in dienst?’

‘Nee Ollie, luister goed,’ zei de neushoorn die naar de olifant toe bewoog met zijn neus, ‘Luister, wij leiden niet ons eigen leven, wij zijn ons hele leven de schaduwen van gebaren die iemand anders maakt.’

De olifant siste: ‘Verdorie, van de uil zeker. Die wil altijd de baas spelen.’

De neushoorn zuchtte. Het was warm, en zijn dikke, grijze huid zat veel te ruim en plooide.

Ze graasden een lunch bij elkaar en gingen liggen in het gras, waarna de olifant vroeg: ‘Als ik erop terug mag komen, Neus.’

De neushoorn knikte.

‘Als ik dat mag, dan moet je toch toegeven dat dit een prima leven is.’

‘Hoezo, wat bedoel je met dit?’

‘Een beetje wandelen, af en toe een polletje gras, je beste vriend de olifant om mee te praten. Had je meer gewild?’

De neushoorn hoefde niet lang na te denken: ‘Veel meer.’

De olifant somde verder op: ‘Herinneringen ophalen, weten dat je er mag zijn...’

Maar de neushoorn onderbrak hem: ‘Alles wat jij noemt, Ollie… het is saai, het is die eeuwige eentonigheid.’

De olifant zei: ‘Maar ik hou ervan. Gewone dingen doen. Zou jij er dan mee willen kappen?’

De neushoorn aarzelde en zei: ‘Ik verlang er niet naar om een einde aan mijn bestaan te maken, Ollie.’

‘O gelukkig!’

‘Ik verlang ernaar om nooit te hebben bestaan.’

Jan B. Bouwstra schrijft elke week een fabel voor de website van De Nieuwsbode, die iets te maken heeft met onderwerpen die op dit moment actueel zijn. Meer fabels lezen? Je vindt ze ons dossier Fabels van Jan B. Bouwstra

Mail de redactie
Meld een correctie

advertentie
Deel dit artikel via:
advertentie
advertentie