
Een fabel: De sneeuwuil en de merel
7 augustus 2026 om 09:00 Dieren Fabels van Jan B. BouwstraTegen de avond, toen de zon de horizon al bijna had bereikt, kwamen er gedachten op in het hoofd van de merel, waarvan zij zich afvroeg waar ze vandaan kwamen en waar ze naartoe gingen.
advertentie
Gedachten die nieuwsgierig waren en overal zochten, maar niets vonden en weer langzaam uit haar hoofd verdwenen, zoals de zon uit een landschap verdwijnt.
De merel rilde en keek om zich heen, het werd avond en het koelde af en de kleuren in het bos vergrijsden.
Ineens kwam er een sneeuwuil aan, met een worm in zijn snavel waar zij de helft van kreeg.
De sneeuwuil was goedgemutst en zei: ‘Gedeelde smart is halve smart.’
‘Zeker,’ zei de merel, blij met haar gezelschap.
Ze tuurden samen naar de grond waar in het maanlicht wormen kropen, die blijkbaar niet wisten dat er vogels bestonden die wormen aten.
De andere wormen zaten onder de grond.
‘Ik zoek er straks nog eentje voor je uit,’ zei de sneeuwuil, die zelf meer trek had in een muis, ‘voordat ze gaan slapen.’
De merel reageerde vrolijk: ‘De zin van alles ligt te slapen, sneeuwuil.’
De sneeuwuil moest erom lachen, en ze keuvelden wat over wormen en zaadjes en maden en manieren om de winter door te komen.
De sneeuwuil hield erg van de winter en vroeg zich af waarom de merel niet wit was. Dat was handig in de sneeuw. Maar de merel vond bruin mooier.
En dat mag.
Opeens zagen ze in de boom tegenover hen een andere sneeuwuil zitten, die naar hen keek met grote, stille ogen, waarin het mysterie blonk.
‘Is hij familie?’ vroeg de merel, maar de sneeuwuil naast haar hoorde het niet.
De uilen zaten roerloos naar elkaar te kijken.
Het werd donker, er verschenen sterren aan de hemel en de sneeuwuil aan de overkant was een vage vlek geworden, die af en toe iets riep.
Dan kreeg hij antwoord van de sneeuwuil naast de merel, en dat ging zo uren door.
Het roepen was als een oude brug die tussen hen geslagen was, waardoor hun gedachten elkaar konden ontmoeten. Gedreven door de behoefte van de ziel om iets uiterlijks te zijn.
Toen de merel de volgende ochtend wakker werd viel het licht bijna volmaakt op de natte bladeren om haar heen en verguldde ze met een glimlachende werkelijkheid.
Ze keek omhoog en zag de sneeuwuil zweven, om zich daarna als een steen te laten vallen.
Even later nam hij naast de merel plaats, hij had een dikke worm in zijn snavel en knikte haar toe. Die was voor haar, de sneeuwuil had zijn muis al op.
Ze keken naar de hemel waar wolken overdreven, die waren zonder te weten en verdwenen zonder te willen, en de sneeuwuil zei: ‘Weet je wie alles in de wereld in zijn greep heeft?’
De merel wachtte geduldig af.
‘Het is de tijd.’
‘Zal wel.’
‘De tijd kiest wie en wat er met ons meereist in het nu. En wat moet wachten.’
‘Goh, dus de tijd pikt uit alles wat zou kunnen, de dingen die aan de beurt zijn.’
De sneeuwuil draaide zich naar de merel toe: ‘Daarvoor was het één grote chaos.’
‘Alles rende tegelijk op de draaideur af?’
De sneeuwuil knikte: ‘Dat had die sneeuwuil van vannacht ontdekt.’
Ze zwegen en hoorden een leeuwerik zingen.
‘Dus toch de tijd,’ zei de merel peinzend, terwijl de leeuwerik nog even zong en daarna zweeg, waarna de biddende natuur in stilte haar handen vouwde en haar ogen sloot.
De sneeuwuil rekte zich uit, draaide zijn kopje weg en zijn snavel verdween tussen zijn veren. Hij viel in slaap.
Bevrijd van alles wat hem afleidde van wie hij was.
Jan B. Bouwstra schrijft elke week een fabel voor de website van De Nieuwsbode, die iets te maken heeft met onderwerpen die op dit moment actueel zijn. Meer fabels lezen? Je vindt ze ons dossier Fabels van Jan B. Bouwstra

















