
Een fabel: De schildpad en de bizon
28 augustus 2026 om 07:00 Dieren Fabels van Jan B. BouwstraDe schildpad was vroeg opgestaan, om zich al treuzelend voor te bereiden op het leven. Hij at nerf voor nerf van zijn blad, maakte een lijst van dingen waar hij niet aan toe zou komen, en besloot om daarvan uit te rusten op het bizonpad.
advertentie
Toen de bizon tijdens zijn ochtendwandeling de schildpad op zijn pad zag liggen, schoof hij deze met zijn natte neus voorzichtig aan de kant, en vroeg: ‘Ben jij aan het verstenen, schildpad, je ziet er wat versteend uit.’
‘Nee, ik ben niet versteend,’ zei de schildpad slaperig terwijl hij weer terug kroop naar het pad, ‘maar ik ben wel afkomstig uit de steentijd. Als je het met alle geweld wilt weten.’
Dat vond de bizon plezierig om te horen, want hij had goede herinneringen aan de steentijd, en ze raakten in gesprek. Ze haalden allerlei herinneringen op, en het gelooide kopje van de schildpad kwam ver onder zijn schild vandaan, om de bizon aan te kijken en te concluderen: ‘Wat waren we toen jong, bizon!’
Ze spraken uren over hoe jong ze waren, de schildpad op een hoge, snerpende toon, en de bizon met zijn zware bas, en glimmende ogen.
De schildpad had een schild vol deuken en tattoos, en de bizon een haardos die tot op de grond viel. Ze waren vrijgevochten geesten, en wat ze zich herinnerden van toen, dat waren wat verbleekte panorama’s, de interpretaties van verwarde getuigen uit een andere tijd.
‘Herinner jij je de mammoet nog?’ vroeg de schildpad en de bizon knikte: ‘Jazeker, maar die zie ik weinig meer, de laatste tijd.’
‘Uitgestorven.’
Dat was nieuw voor de bizon en hij versomberde: ‘Is de mammoet uitgestorven? Met huid en haar? Is daar nog iets aan te doen, schildpad?’
‘Uitsterven is een vertrek,’ zei de schildpad profetisch, ‘een definitief vertrek, waarbij je de deur achter je dichtgooit.’
‘Met een klap?’
De schildpad zweeg en de bizon wist voldoende.
Het licht van de hemel brak door, en de bizon kreeg het warm want hij zat nog in zijn wintervacht. Hij zakte door zijn voorpoten en zei: ‘Ga eens aan de kant, ouwe makker, dan kom ik naast je liggen.’
De schildpad maakte plaats, en de bizon liet zich op het pad vallen in een wolk van stof. ‘Al die plannen en dromen van ons uit de steentijd, bizon, toen de bronstijd nog moest beginnen,’ zei de schildpad.
De bizon knikte.
‘Die plannen waren grootheidswaanzin, aangeboren dronkenschap.’
De bizon keek de schildpad scheef aan en vroeg: ‘Welke plannen ook alweer?’, want zijn geheugen liet hem regelmatig in de steek.
‘Een reuzenschildpad worden, over oceanen zwerven, interessante zeezoogdieren ontmoeten, nieuwe soorten padden maken, ijzer ontdekken … de hele rataplan.’
De bizon herinnerde het zich weer, en zei: ‘Maar die plannen hadden zin, schildpad, in wat voor wereld zouden we leven als er geen plannen waren geweest.’
De schildpad schudde zijn oude hoofd, keek om zich heen naar de wolken, de bomen en de vijver, en de bloemen in het gras.
Naar een wereld vol met plannen.
Waarvan de zin in diepe rust verkeerde.
Jan B. Bouwstra schrijft elke week een fabel voor de website van De Nieuwsbode, die iets te maken heeft met onderwerpen die op dit moment actueel zijn. Meer fabels lezen? Je vindt ze ons dossier Fabels van Jan B. Bouwstra


















