Jan B. Bouwstra
Jan B. Bouwstra Eigen foto

Een fabel: Het besef van de wereld

25 september 2026 om 08:00 Dieren Fabels van Jan B. Bouwstra

De zon was ongenaakbaar, het had al maanden niet geregend en de bodem was kurkdroog en gebarsten. De brilslang lag te wachten op het einde van de dag, onder een dikke laag stof die door zijn bestaan op hem was neergedaald. 

advertentie

Hij zou de zee in willen duiken, om met het stof ook zijn lot van zich af te wassen. Maar de zee was heel ver weg.

De krekel zat naast de brilslang te hijgen van de warmte, en de brilslang zei: ‘Ik zou het stof van mij af willen spoelen, krekel, om mijn leven weer schoon en fris te beginnen.’

De krekel keek naar de strakblauwe hemel waar geen wolkje te bekennen was, en naar de horizon waarachter de zee zich ergens schuilhield.

De brilslang draaide zich naar hem toe: ‘Elke dag is hetzelfde, krekel, dat gaat zo niet langer.’

‘Wat niet?’

‘Ik wil een nieuw bestaan.’

‘En ons oude bestaan, brilslang, wat gaan we daarmee doen?’

‘Afsluiten,’ zei de brilslang peinzend terwijl hij alvast zijn bril schoonmaakte, ‘helemaal afsluiten.’

De aankondiging van het vertrek van de brilslang en de krekel ging als een lopend vuurtje door het bos, en ze werden door iedereen uitgezwaaid. De kakkerlak riep knarsend boven alle andere dieren uit: ‘In onze herinnering blijven jullie voor eeuwig bij ons.’

‘Wat is een herinnering?’ vroeg de das aan de kakkerlak, en ze keken elkaar onzeker aan, want dat waren ze vergeten. En over eeuwig begon de kakkerlak maar niet.

En zo gingen de brilslang en de krekel samen op zoek naar een nieuw bestaan, waarbij de krekel flink door moest springen om de brilslang bij te houden. Na een tijdje zei de brilslang: ‘Ik wil naar de zee, want ik word hier alleen maar stoffiger.’

De krekel vroeg: ‘Is het je ziel die steeds stoffiger wordt, brilslang?’

De brilslang zuchtte en ging slapen.

De volgende dag kwamen ze aan op het strand en daar zagen ze de inktvis op alle acht zijn armen naar de zee toe wandelen, om een frisse duik te nemen.

De krekel klampte hem aan voordat hij in de golven verdween, en vroeg: ‘De brilslang wil het stof van zijn bestaan afwassen, inktvis, heb jij een tip voor hem?’

Want de inktvis zag er fris en schoongewassen uit.

De inktvis dacht na, legde een arm op de schouder van de brilslang, en zei: ‘Het stof dat aan ons kleeft is niet weg te wassen, brilslang.’

De krekel was er al bang voor, het probleem zat ergens anders, en de inktvis zei: ‘Het is het besef van de wereld, brilslang, dat is de last die je voelt.’

Ze hoorden het ruisen van de zee en zagen het water glinsteren, en ze roken de zoute lucht.

‘En dat besef van de wereld, die last die je voelt, maakt dat je niet meer ademt met je ziel. Alsof die onder een dikke laag stof is verborgen.’

De brilslang boog zijn hoofd.

Die avond lagen ze naast elkaar op het strand en keken naar de zee. En de inktvis wees met zijn arm naar het water dat zich voor hen uitstrekte en zei: ‘Luister naar de branding en kijk naar dat schuim, dat opbruist van de bodem van een grote waarheid, die zich als een glinsterende vlakte voor ons uitstrekt.’

Ze keken naar het water en naar de ganzen die overvlogen in formatie naar het zuiden.

De inktvis zei: ‘Je moet af van het gevoel dat het denken meer waard is dan het leven. Kijk naar de ganzen die feilloos naar het zuiden vliegen. Als onderdeel van een intelligentie die de wereld heeft geschapen en waarmee zij is doordrenkt.’

De brilslang knikte terwijl zijn gedachten een voor een verwaaiden, zoals de wolken aan de hemel, waarachter helder en zuiver de eindeloze eenzaamheid van een verlaten sterrenhemel rees.

Mail de redactie
Meld een correctie

advertentie
Deel dit artikel via:
advertentie
advertentie