De gedenksteen op de plek waar de verzetsstrijders zijn gefusilleerd.
De gedenksteen op de plek waar de verzetsstrijders zijn gefusilleerd. Eigen foto

Niels Roelen laat ‘stem uit het verleden’ horen in het kader van Nederland 80 jaar bevrijd

8 augustus 2025 om 14:23 Historie

ZEIST In het kader van ‘Nederland 80 jaar bevrijd’ onderzoekt de bekende Zeister veteraan en auteur Niels Roelen de betekenis van het begrip vrijheid. Vandaag een stem uit het verleden van de gefusilleerde verzetsstrijder Klaas Schaafsma. Het Goede geef je door.

advertentie

In de bossen van Austerlitz, vlak bij de Woudenbergseweg, ligt een steen. Daarop is de volgende tekst te lezen.

Op 4 mei 1945 werden op deze plaats door de SD (Sicherheidsdienst)
gefusilleerd en begraven:

Arie Schaafsma (1914)
en
Klaas Schaafsma (1922)
en
Henricus Rijnders (1885)

Zij hebben zich verzet tegen de bezetter


26 april 2007

Het dagboek van Klaas is een stem uit het verleden. Het verhaal van een man voor wie de bevrijding van Nederland slechts enkele uren te laat kwam. Een van de laatste mensen die, samen met zijn broer en meneer Rijnders, door de Duitsers werden vermoord vanwege hun rol in de oorlog.

EEN NIEUWE IDENTITEIT

Het is 16 juli 1944 als ik me moet melden voor de Arbeidseinsatz, de verplichte tewerkstelling van Nederlandse mannen voor de gehate bezetter, de Duitse. Werken voor die verdomde rotmoffen zoals mijn overbuurman Fred, dat vertik ik. Om te voorkomen dat ik opgepakt word, moet ik verdwijnen. Samen met mijn zussen en broers woon ik thuis, in Den Dolder. Feitelijk staat ons huis op het vliegveld Soesterberg dat door de Duitsers bewaakt wordt. Daarom trek ik bij mijn broer Arie in, op een verbouwde zolderkamer. Een kamer die twee in- en uitgangen heeft om, indien noodzakelijk, te kunnen ontsnappen. Zolang ik nog geen nieuw persoonsbewijs, een nieuwe naam heb, moet ik voorzichtig zijn en niet opvallen. Omdat eten op de bon alleen verkrijgbaar is via een persoonsbewijs, moet er eten voor mij geregeld worden via het verzet. Mijn broer praat er niet over, maar hij zit erbij. Dat weet ik zeker. Mijn nieuwe Persoonsbewijs is binnen. Vanaf vandaag 8 augustus heet ik Martin Werners, ome Martin. Ik denk niet dat het gaat wennen. Omdat het vliegveld uitgebreid gaat worden, moeten pa en ma naar Soesterberg verhuizen. Ik zou willen helpen, maar het risico dat iemand me herkent is te groot. De verhuizing blijkt een geluk. Als de geallieerden in de nacht van 16 oktober het vliegveld bombarderen, wordt ons oude huis geraakt door een voltreffer. Zelfs van de schuilkelder die pa gebouwd had, staat er niets meer over dan de houtstapel en het tuinhekje rond een grote krater.
20 oktober, ik zit bij een bijeenkomst van het verzet. Een groep die officieel onder de binnenlandse strijdkrachten valt, geleid door Prins Bernard in London. Zonder het te weten deed ik al enige tijd wat werk voor het verzet. Ze hebben me getest, vinden mij betrouwbaar genoeg en dus klaar voor het echte verzetswerk. We zijn met Baas, Frankie, Knikker en Snor. Mij noemen ze lange Peer en Arie is Stompie. Schuilnamen natuurlijk om ontdekking te voorkomen.Ik moet erom lachen, maar wordt direct streng toegesproken. Het werk is belangrijk, maar ook gevaarlijk. Als de moffen je te pakken krijgen, volgt er geen rechtszaak. Dan word je gemarteld en dan de kogel. Zelfs mensen die er niets mee te maken hebben, worden uit represaille, uit wraak doodgeschoten.

SABOTAGE VAN HET SPOOR

Vanuit London is het bevel gekomen om de spoorlijn tussen Amersfoort en Apeldoorn op te blazen. De spoorlijn die munitie- en materieel transporten vanuit Duitsland naar hier brengt en gevangenen afvoert, moeten wij saboteren. Ik moet helpen bij het graven van het gat voor de explosieven.

25 augustus, vannacht, bij nieuwe maan, als er dus maar weinig licht in de nacht is, gaat het gebeuren. We zitten op de fiets, op weg naar boer Lucas in Leusden waar we verzamelen. We kleden ons om in donkere pakken en maken onze handen en gezichten zwart met kolengruis om straks niet op te vallen. Met een pikhouweel en een schep moeten Frankie, Baas en ik een gat in de spoordijk maken voor de explosieven terwijl Klaas, Snor en Knikker de wacht houden.

Het wegscheppen van het grove grind valt niet mee. Een paar keervluchten we terug de struiken in voor een patrouillerende soldaat. Na een tijdje graven, moet ik de explosieven plaatsen, maar het gat onder de biels is net te klein om ook de ontsteker aan te brengen. Met een paar flinke scheppen haal ik wat grind weg, sluit de ontsteker aan en dek alles af met een zeil en wat grind.‘

Stoppen!’, klinkt het vanuit de wachtpost. Opnieuw verstop ik me in de struiken, maar zie ineens dat de schep nog bij het spoor ligt. Omdat ik zeker weet dat die Duitser dat gaat zien, sluip ik naar voren, grijp de steel en trek de schep naar me toe. De soldaat komt steeds dichterbij, ik druk me plat op de grond en houd me stil. Plotseling trekt er een scherpe pijn door mijn hand. Ik wil schreeuwen maar bijt met grote moeite op mijn tong. Mijn hand wordt platgedrukt onder de steel waar die kerel bovenop is gaan staan. Recht voor me zie ik zijn been. Hij zet zijn geweer op de grond, mijn hart klopt in mijn keel. Ik denk maar aan één ding, als hij me ziet, grijp ik zijn been, trek hem op de grond en schakel hem uit. De man rilt en trekt zijn kraag omhoog tegen de kou voordat hij verder loopt.
De pijn in mijn hand is even groot als mijn opluchting. Voorzichtig schuif ik verder de bosjes in waar we ons nog even schuil en stilhouden. Er gebeurt niets en dus gaan we voorzichtig terug naar de boerderij. Mijn hand bloedt flink. Dat ik die schep nog probeerde te pakken, begrijpen ze wel, maar een risico was het wel.

Op weg naar huis klinkt in de verte een enorme knal, gevolgd door gepiep en gekraak.‘Het is gelukt. Mijn eerste echte verzetsdaad is gelukt. In feite ben ik nu soldaat in het geheim.’

25 november zijn we op weg met een nieuwe opdracht om een munitietransport van de Duitsers naar Den Dolder te saboteren. Volledig zwartgemaakt liggen we in een greppel bij de Soestdijkerweg. Hier zal tussen middernacht en één uur het transport langskomen. Vier vrachtwagens met munitie en materieel, begeleid door een jeep met gewapende militairen. Ze rijden zonder verlichting en dus langzaam. Dat geeft ons de kans om onze explosieven met tijdsontsteking in de laatste vrachtwagen te gooien. Als het mij niet lukt, dan ligt er even verderop nog een tweede groep klaar die hetzelfde zal proberen.

Ik ben stijf van het stilliggen en heb het koud. Langzaam nadert in de verte de colonne. De jeep, de eerste, de tweede en de derde vrachtwagen passeren. Nu. Ik spring op en ren samen met Frankie achter de laatste vrachtwagen aan. Frankie prutst aan het zeil en maakt met moeite een kleine opening. Ik start de ontsteker en laat het hele geval achter in de laadruimte vallen. Frankie maakt de knopen weer vast en we zien de wagens in de verte verdwijnen, voordat we verspreid teruggaan naar huis.

VERKLIKKER

Januari 1945. Zou dit het laatste jaar van de oorlog worden? Het jaar waarin de Duitsers verslagen worden? Ik hoop het, maar Arie vertelt me dat de geallieerde opmars in het zuiden al maanden vastgelopen is. Elders in Europa wordt nog wel terreinwinst geboekt. Ook in het Oosten, in Polen en op de Balkan rukken de Russen op. Het zijn berichten van radio Oranje.

De Duitse aanval in de Ardennen is mislukt en heeft hen zware verliezen opgeleverd. Het kan toch niet lang meer duren voordat ook ons land bevrijd wordt nu de Duitsers steeds verder in het nauw gedreven worden. Omdat ze arbeiders nodig hebben, worden er in de grote steden steeds meer razzia’s gehouden. Mannen tussen de 16 en 55 worden rücksichtslos opgepakt om erin de fabrieken en kampen te gaan werken. De agressie tegen de bevolking neemt ook toe. Als op 10 januari een aanslag gepleegd wordt op een administratiekantoor in Amsterdam, worden er diezelfde dag nog vijf gevangenen als represaille voor het kantoor geëxecuteerd. Wraak, de consequenties van het verzet, maar we kunnen er niet mee stoppen.
21 januari zijn we bij Baas thuis. Bij een inval in de straat is een onderduiker gevonden. Iedereen wordt opgepakt en afgevoerd. De overbuurvrouw van Baas, ene Marie, vertelt grijnzend tegen de vrouw van Baas dat zij die onderduiker aangegeven heeft. Het was Baas al opgevallen dat ze vaak vanachter de gordijnen staat te gluren en dat hij dat niet kan hebben. Dus vraagt hij ons om die verraadster wat schrik aan te jagen. Met een pistool en masker op lopen we haar keuken in waar zij een kop thee drinkt.‘We verdenken je van verklikken,’ we zien haar beven van angst, ‘als je nog een keer wat zegt en blijft gluren, dan komen we terug en is het met je gedaan. Met verraders maken we korte metten, dus pas op.’

Als de vrouw van Baas haar de volgende morgen bij de bakker ziet,vertrekt ze zonder ook maar boe of bah te zeggen haastig weer naar huis.  domme en laffe vrouw die maar niet ziet hoe erg het werk van de bezetter is.

10 februari, Amerikaanse troepen zijn Duitsland binnengevallen. De Amerikanen zijn de Rijn overgestoken, Kleef is veroverd, nu kan het niet lang meer duren voordat de Duitsers verslagen zijn. Na de toenemende honger, de kleiner wordende rantsoenen van aardappelen en melk, is dit een geweldige opsteker. De Duitsers sturen Nederlandse dwangarbeiders en zelfs krijgsgevangen naar de Grebbelinie om die te versterken. Wat een bizar idee dat de Duitsers zich nu willen verschuilen achter de stelling die wij bouwden om de Duitsers aan het begin van de oorlog tegen te houden.

OPGEPAKT

Gisteren, 13 maart, is er bij de Woeste Hoeve in Apeldoorn een aanslag op Rauter gepleegd. De Duitsers zijn laaiend en uit pure wraak executeren ze 117 gevangenen en bewoners. In Amsterdam op de Weteringschans fusilleren ze nog eens 36 mensen en ook in andere steden worden mensen doodgeschoten. Wat een beesten, ik ben kwaad en zou wel… maar ik moet voorzichtig blijven.

Op 17 maart volgt een nieuwe tegenslag. Bij een razzia op de Veluwe ontstaat een vuurgevecht tussen de knokploeg die de aanslag heeft gepleegd op Rauter en de Duitsers. Twee jongens, goede kerels, komen om. Het goede nieuws komt uit Zeeland. Koningin Wilhelmina heeft voet op Nederlandse bodem gezet en steekt ons vanuit het zuiden een hart onder de riem.‘Houd vol, de bevrijding komt’. 

De Amerikanen dringen steeds verder doo rin Duitsland, maar de bombardementen zorgen voor problemen. Regelmatig laten ze hun bommen te vroeg vallen. Enschede, Nijverdal, Haaksbergen, vele tientallen doden door vergissingen. De prijs voor vrede is hoog.


Terwijl radio Oranje positieve berichten verstuurt, worden Arie en ik in Huis ter Heide aangehouden. ‘Papieren.’ Klinkt het norse bevel van twee NSB’ers. Degene die mijn papieren heeft blijft maar van mijn vervalst identiteitsbewijs naar mij kijken. Hij vertrouwt het niet, ik ben bang dat ze me door hebben, ruk de papieren uit zijn handen, spring over het hek en sprint het bos in. ‘Ajuus!’ Totaal verrast beginnen de NSB’ers te schieten, maar dan ben ik al tussen de bomen verdwenen. In alle commotie grist ook Arie zijn papieren uit hun handen en vlucht. Als Baas het hoort is hij enorm kwaad. ‘Jullie brengen niet alleen jezelf, maar ook ons in gevaar. Jullie hadden gewoon moeten blijven staan, die papieren zijn heel goed vervalst.’ We weten dat hij gelijk heeft en spreken af dat we ons voorlopig gedeisd zullen houden, maar als ik op 20 april toch samen met Arie op weg ben naa reen bijeenkomst, gaat het mis. Twee weken hadden we binnen gezeten. We stoppen even bij de melkwinkel waar we aansluiten in de rij. Te laat hebben we in de gaten dat er een colonne SD’ers aankomt. Tevergeefs proberen we ons nog te verschuilen tussen de mensen. Zwaarbewapend marcheren de zwarte kraaien voorbij tot ze plotseling omdraaien.‘Halt!’ We zijn gezien, ‘Sie und sie, mitkommen’.

Op het bureau is de sfeer gelijk grimmig, Arie heeft zijn papieren bij zich, ik niet. We worden geslagen,gestompt en gescheiden opgesloten. De volgende dag lopen we alsof we slaven zijn met door emmers verzwaarde staken naar het nieuwe onderkomen van de SD in Zeist. We worden ondergebracht in de villa Kattenburg waar ze erachter komen dat ik sprekend lijk op die weggevluchte kerel, die Martin Werner.

‘Waarom bent u weggevlucht, bent u echt Martin Werner? U zit in he tverzet.’ Met het nodige geweld proberen ze antwoorden te krijgen, maar ik laat niets los. Voor verdere ondervraging neemt een SS’er ons mee naar he thoofdkwartier van de SS op de Maliebaan in Utrecht. De zware verhoren en martelingen weet ik met uiterste inspanningen vol te houden, maar verlies al het gevoel voor tijd en zo. Uiteindelijk kon ik bijna niet meer. Op een avond worden we uit de cel gehaald en naar buiten gebracht. Er heerst een koortsachtige drukte, veel spullen worden verplaatst en weggebracht. Mijn broer, ik en een voor ons onbekende oudere man in een politie-uniform, worden samen met zwaarbewapende militairen in een grote, zwarte wagen geduwd. Er wordt niets gezegd. Een officier stapt naast de chauffeur in en we beginnen te rijden.


4 mei, we rijden over de Biltse straatweg naar Zeist, richting Woudenberg. Niet ver van de piramide van Austerlitz mindert de auto vaart, stuurt naar de kant en stopt. De militairen trekken ons uit de wagen. Ik kan nauwelijks staan en zie bijna niets. Onder schot gehouden door de soldaten worden we het bos in geleid, naar een vers gegraven kuil die een eindje verderop in het bos ligt. Pas als we op de rand staan, besef ik wat er gaat gebeuren. Het is hier rustig, vredig. Ik voel een slag in mijn rug, een felle pijn en dan niets meer. Ik heb gedaan wat ik kon en mij hebben ze niet klein gekregen.‘

LEVE ONS VADERLAND, LEVE NEDERLAND

De kuil wordt dichtgegooid en de soldaten lopen terug. De auto start, keert en vertrekt over dezelfde weg naar Utrecht. Het is hier stil, getuigen van deze daad, slechts uren voordat de Duitsers de capitulatie tekenen en de bevelen overgebracht worden naar hotel De Wereld, zijn er niet.

DE AANTEKENINGEN VAN BAAS

Pas op 20 mei is de plek aangewezen waar Arie en Klaas vermoord zijn. Ze zijn daar opgegraven, maar hun vader kon ze niet herkennen. Pas toen hij de trouwring aan de hand van Stompie en de trui van Lange Peer zag, wist hij het. Een sinterklaascadeau van het jaar ervoor, door zijn moeder gebreid. Een week later worden ze in Zeist begraven. Ik heb nog een tijd met de vadergepraat. Een man met het hart op de juiste plaats. Geen wonder dat zijn jongens in het verzet zaten. ‘Het goede geef je door.’We hoeven daar niet prat op te gaan, we zijn geen helden. We deden wat we vonden dat er gedaan moest worden.


Elk jaar vertelt Ron Slot het verhaal van de drie vermoorde verzetsstrijders een een groep basisschoolleerlingen  - Eigen foto

Elk jaar vertelt Ron Slot het verhaal van de drie vermoorde verzetsstrijders een een groep basisschoolleerlingen.
Mail de redactie
Meld een correctie

advertentie
Deel dit artikel via:
advertentie
advertentie