
Ineke van Slogteren hervond traumatische oorlogsherinnering na dagje uit in Amsterdam
2 mei 2023 om 06:06 Historie Tips van de redactieZEIST / AMSTERDAM Een harde knal, het geritsel van een blaadje. De stof van een jas, een geur. Kleine dingen kunnen herinneringen terugbrengen aan gebeurtenissen waarvan je niets wist. Zestien jaar geleden liep Ineke van Slogteren-Steiger (81) met haar twee dochters en haar oudste kleinkind op het Weteringplantsoen. Een dagje Amsterdam, om de plekjes uit haar jeugd te laten zien. Plotseling bleef ze, wit weggetrokken, staan. ,,Hier was het’’, was het enige dat ze nog kon zeggen. Als driejarig meisje werd ze op 12 maart 1945 met haar opa gedwongen te kijken naar de moord op dertig politieke gevangenen op het Eerste Weteringplantsoen. Dat had ze zich nooit eerder herinnerd.
advertentie
Ineke en Fred van Slogteren, net 60 jaar getrouwd, zijn twee opgewekte Amsterdammers in een appartement aan de Laan van Vollenhove In Zeist. Ineke werd in 1942 geboren in het Anna Paviljoen, de kraamkliniek van het Onze Lieve Vrouwengasthuis, als oudste kind van Eelke en Jacoba Steiger, vertelt ze in een comfortabele stoel in haar woonkamer. Haar ouders woonden in De Pijp, drie hoog in de Rustenburgerstraat. ,,Ik heb me later wel eens afgevraagd hoe ze bij het ziekenhuis gekomen zijn toen mijn moeder van mij moest bevallen.’’
VERSTIKKEND
Haar vader werkte in de oorlogsjaren bij een uitgeverij. Hij was afkomstig uit een streng, gelovig gezin. ,,Ik vond het verstikkend bij mijn opa en oma. Om de week gingen we op zondag naar ze toe. Als je daar was moest je stilzitten en je mocht niets zeggen. Het enige leuke was dat we op weg ernaartoe door het Vondelpark liepen. Dan liepen we langs tennisbanen en zag ik tennissers in mooie, witte kleding. Dat was een hele andere wereld voor mij. Ik kon daar ademloos naar kijken, tot mijn ouders riepen dat ik door moest lopen.’’
BEVRIJDINGSKIND
,,Ik had nooit echt goed contact met mijn vader. Zijn relatie met mijn broer, een bevrijdingskind, was veel beter. ,Met je broer kon ik meer’, heeft hij me wel eens verteld. Ik had als kind het gevoel dat hij voorgetrokken werd.’’
ZIMMER FREI
,,Mijn vader stotterde als je met hem sprak. Na de oorlog gingen we op vakantie naar Zandvoort. Al die bordjes met Zimmer Frei vond hij vreselijk. Op het strand vonden we een keer een kuil, waar we in gingen zitten. Kwam er even later een Duitser aan, die die kuil kennelijk eerder voor zichzelf gegraven had. ‘Das ist meine Kuhle’, zei hij en we moesten eruit. Mijn vader wérd me toch boos! In één vloeiende zin beet hij hem toe: ,,Hebben jullie nog niet genoeg kuilen gegraven in de oorlog?’’
,,Op zijn sterfbed, in de ambulance op weg naar het ziekenhuis zei hij tegen me: ,toch heb ik altijd van je gehouden.’ Er ging een warme golf door me heen.’’
EEN JOOD
Opa en oma van vaders kant hebben de moeder van Ineke nooit echt geaccepteerd. ,,Ze moesten niets van haar weten. Mijn andere opa was een Jood. Hij trouwde met een niet-Joodse vrouw. Zijn familie heeft hem toen letterlijk ‘doodverklaard’. Pas kort na het begin van de oorlog zijn de familiebanden weer hersteld, met mijn opa Isaac Sturkop. Waarschijnlijk omdat ze hun kostbaarheden bij hem in bewaring konden geven, omdat hij ‘veilig’ zou zijn.”
APOLLOLAAN
,,Opa was alles voor me. Ik was heel veel bij hem. Hij woonde een straat achter ons. Als ik naar school ging, stond zijn hond al voor onze voordeur om me op te wachten en met me mee te lopen. Beertje liep ook altijd mee met de krantenwijk van mijn opa, bij de villa’s aan de deftige Apollolaan. Daar was alles zó groot… Bij sommige huizen hing er dan weleens een zakje met lekkers voor de hond. Na de dood van mijn opa bleef de hond iedere dag die ronde lopen.’’
PANIEK
,,Over de oorlog werd niet gesproken bij ons thuis. Ik heb er weinig herinneringen aan. Ik weet dat mijn moeder me een keer in paniek uit het peuterschooltje kwam ophalen, ik moest mee, maar waarom heb ik nooit geweten. Er kwamen regelmatig Duitsers bij ons boven. Een keer keek een soldaat in mijn wiegje en zei toen vertederd: ,wij hebben er thuis ook zo een’. Heel veel later heb ik begrepen waarom ze zo vaak geweest zijn. In Auschwitz zagen mijn broer en ik een plattegrond van Amsterdam met allemaal rode stippen op de adressen waar Joden woonden. Ook bij onze woning stond een stip.’’
HONGERTOCHTEN
Later hoorde Ineke over de hongertochten die haar moeder in de laatste oorlogswinter heeft ondernomen. Over die keer dat ze met haar tante naar Nunspeet was gefietst om haar kostbaarheden, zoals linnengoed en bestek te ruilen voor eten. ,,Op de terugweg bij Uithoorn werden ze staande gehouden door de Duitsers. Mijn moeder moest alles inleveren, het eten én alle andere spullen die ze had bemachtigd. Mijn tante fietste door en weigerde wat van haar buit aan mijn moeder af te staan. Het is nooit meer helemaal goed gekomen tussen die twee.’’
GEDWONGEN STERRILISATIE
,,De Joodse familieleden van mijn opa Sturkop zijn allemaal vermoord. Niemand is teruggekomen. Door de aantekening in zijn Ausweisz dat hij gemengd gehuwd was, werd hij gespaard van deportatie, maar aan het eind van de oorlog gingen de Duitsers ertoe over om mannen zoals hij gedwongen te steriliseren. Dat is ook bij hem gebeurd. Hij heeft er altijd fysieke gevolgen van gehad. Kort na de oorlog lag hij met een niervergiftiging in Zonnestraal in Hilversum. We zijn er op bezoek geweest, hij praatte alleen nog in het Hebreeuws, dat had ik nog nooit gehoord. In 1956 is hij overleden aan complicaties van die gedwongen sterilisatie.’’
HUMANISTEN
,,Na de oorlog spraken we er niet meer over bij ons thuis. Van mijn vader kreeg ik te horen dat we humanisten waren. Het woord ‘Joods’ mocht ik nooit gebruiken. Ik stond er verder niet bij stil. Ik was een moeilijk kind voor mijn ouders. Er veranderde veel aan het eind van de jaren vijftig, de rock & roll kwam, Elvis Presley, geweldig vond ik dat! Ik ging naar de kweekschool voor detailhandel maar daar ben ik snel mee gestopt. Ik kreeg een baantje bij een banketbakker en daar ontmoette ik mijn man. Het verdriet van mijn opa was het enige dat aan de oorlog herinnerde.’’
Tot die dag in 2007.
,,We hadden de auto aan de rand van de stad geparkeerd en zijn door Amsterdam-Zuid naar het centrum gelopen. Ik wilde mijn dochters en mijn kleinkind de plekjes laten zien die voor mij belangrijk waren geweest, zoals mijn oude buurt, mijn school, enzovoort. Ik was al zo vaak langs het Weteringplantsoen gelopen. Ineens stond ik stil. ‘Hier was het’, was het enige dat ik kon zeggen.’’
Waardoor het kwam weet Ineke niet. ,,Ik zag de boom waar ik stond, ik voelde hoe een Duitser met zijn geweer in mijn zij prikte, ik herinnerde me de geur van de dikke harige winterjas van mijn opa. Er ging een luikje bij me open. Ik voelde de paniek, ik zag het allemaal voor me. Het beeld kwam steeds sterker naar boven.’’
,,Wát was er dan? vroeg mijn dochter. Toen ben ik op zoek gegaan.’’
VERGELDING
Op 12 maart 1945 waren delen van Nederland al bevrijd. Wilhelmina zou een dag later in Zeeland voet aan Nederlandse bodem zetten. Twee dagen eerder was ‘bij een laffen en arglistigen moordaanslag op een lid der bezettingsmacht’ in een pand aan de Stadhouderskade SS Hauptscharführer Ernst Wehner om het leven gekomen. Duitse soldaten haalden die ochtend dertig gevangenen op uit hun cellen in het Huis van Bewaring en brachten ze naar het Eerste Weteringplantsoen. Omstanders werden staande gehouden. Ze moesten blijven staan. Daaronder veel leerlingen van het Barlaeus Gymnasium. In drie salvo’s werden de dertig mannen vermoord. Drie keer tien mannen, verzetsmensen en mannen die de tewerkstelling in Duitsland weigerden. De jongste 19, de oudste 58 jaar. Hun lichamen bleven 24 uur liggen om de bevolking nog meer angst aan te jagen. Isaac Sturkop en zijn net drie jaar geworden kleindochter werden met het geweer in de rug gedwongen het aan te zien.
MINISTER BORST
De herinnering was terug maar er was ook twijfel. ,,Jaren later zag ik een herhaling van het tv-programma Villa Felderhof met minister Els Borst. Zij was leerling van het Barlaeus, ze was er ook bij en ze vertelde over de impact die de fusillade op haar had gehad. Ze vertelde dat er hele kleine kinderen bij waren. Toen pas wist ik zeker dat mijn herinnering klopte.’’
Ineke veranderde. ,,Voor die tijd was ze optimistischer’’, zegt haar man Fred, die aandachtig toehoorder is als Ineke vertelt dat ze nu begrijpt waarom ze altijd bang was dat er oorlog zou komen, als ze weleens met Fred zonder de kinderen op een buitenlandse zakenreis meeging. ,,Soms werd ik ’s nachts wakker, rechtop in bed, panisch van angst. Gelukkig heb ik dáár nu een pilletje voor…’’
OORLOGSSLACHTOFFER
,,Ik kampte lang met aangezichtspijnen, die kwamen altijd op dezelfde tijden. Daar kwam ik uiteindelijk voor bij een kaakchirurg terecht, een man met net zo’n diepe warme stem als Ivo Opstelten, die toen burgemeester van Rotterdam was. Toen hij aan me vroeg hoe het met me ging, barstte ik in huilen uit en vertelde ik hem met horten en stoten mijn verhaal. ,Ik weet wat u heeft’, zei hij nadat hij mijn verhaal had aangehoord. ,U bent oorlogsslachtoffer’. Hij schreef een brief aan mijn huisarts en die verwees me naar het Sinai in Amersfoort.’’
PSYCIATRISCH BEHANDELD
,,Twee jaar lang ben ik daar wekelijks psychiatrisch behandeld en ik kreeg daarna een soort strippenkaart mee, waarmee ik altijd kan terugkomen als ik daar behoefte aan heb. Ik kwam daar mensen met andere trauma’s tegen, uit Indonesië, Korea, van vredesmissies in Libanon en Bosnië. Je staat ervan te kijken wat er gebeurt met die jonge mensen.’’ Het gaat weer beter met Ineke. Tegen de jaarlijkse dodenherdenking kijkt ze niet meer zo op, maar aan films over de oorlog heeft ze geen behoefte.
Op een kast in de woonkamer van Ineke en Fred staan nu menora’s en andere Joodse symbolen. ,,Ik ben veel bezig met het Jodendom. Wie ben ik eigenlijk? Mijn kijk is anders geworden. Ik ben me Joods gaan voelen.’’
Ze haalt een herinnering op. ,,We waren met vakantie in de Verenigde Staten en wachtten op het vliegveld van Orlando op onze vlucht naar Los Angeles. Tegenover ons zat een stokoud Joods echtpaar, hij met een keppeltje op. Hun vlucht wordt omgeroepen en het mannetje staat op en komt naar me toe. Hij had mijn Davidsster gezien aan mijn ketting. Hij pakt me liefdevol bij mijn schouders en zegt: ,You are my people’. Toen hoorde ik er een beetje bij.’’


















